Sint Maartenskliniek De ziekenboeg 1971-1979 Deel 12/a

“Jan, Ik haal iemand van de reuma afdeling en dan brengen we je naar de vierde verdieping. Ik krijg je onmogelijk met je gebroken been onder het bed vandaan” zei de nachtzuster.

De vierde verdieping van de Flat, de ziekenboeg.  De schrik sloeg me om het hart!
Daar moest je niet komen was me gezegd. Al snel zou ik er achter komen waarom niet…

Geen opblaasspalk?

Na een half uur kwam ze terug met de zuster van de reuma afdeling.  Ik had verwacht dat ze een plastic opblaasspalk bij zich zou hebben. Dat is een plastic zak in de vorm van een arm of been met een rits er in. Deze wordt om je been gelegd, dicht geritst en opgeblazen zodat het bot wordt gestabiliseerd. Mijn vader heeft al in 1966 er één voor me aangeschaft omdat ze deze ook in de ziekenauto gebruikten. Dit soort moderne hulpmiddelen hadden ze op de Maartenskliniek, in 1973, nog niet. Nee, op de Maartenskliniek kun je prima revalideren,maar je moet er geen ongeluk krijgen want dan lig je echt op de verkeerde plek! Uiteindelijk werden er twee plankjes gehaald en, net als in het handboek van de soldaat, werden de plankjes aan beide zijde van mijn gebroken been aangebracht.  Ze raapte me op van de grond en legde me op een oude brancard met kleine wieltjes er onder.

Handboek voor de soldaat 1970

Handboek voor de soldaat 1970

Met een zwachtel werden de plankjes vastgemaakt aan mijn gebroken been. Daarna werd ik door de beide zusters op de brancard gelegd en met de lift naar de vierde etage gereden. Ik vroeg wanneer de dokter kwam en ze vertelde vriendelijk dat ze inmiddels wel contact hadden gehad met het ziekenhuis. Maar die konden niets voor me betekenen, want de röntgen en de gipskamer waren s’ nachts dicht. De Maartenskliniek had geen eerste hulp en daarbij was gipsen nu niet verstandig omdat het been nog zou opzwellen. Ik moest de nacht maar zien door te komen. “Morgenochtend is hij de eerste” Had de dienstdoende dokter telefonisch laten weten aan mijn vriendelijk glimlachende nachtzuster.

Pijn!

Die nacht sliep ik alleen op de kamer wachtende op wat er komen zou. Dit zou één van de langste nachten worden die ik ooit zou meemaken. Ondanks het kopje warme melk, wat ik eigenlijk helemaal niet lust, kon ik niet slapen. Iedere keer als ik dreigde in slaap te vallen voelde ik de snijdende pijn. De wanhoop nabij, want de pijn was niet te harden, en pijnstillers kreeg ik niet dus belde ik toch maar de zuster. Om mijn gedachte af te leiden van de pijn haalde ze een paar stripboeken. Zo ben ik de nacht doorgekomen. Mijmerend over het Gemeente ziekenhuis in Dordrecht  waar ik als een vorst werd ontvangen door dokter Zwijsen. Deze dokter behandelde mij altijd meteen met een rekverband of met dat ouderwetse witte gips.

Nee, een ding was duidelijk. Je been breken op de kliniek kun je maar beter niet doen, in ieder geval niet na vijf uur s’ middags.

De Gipskamer

De volgende morgen werd ik door een verpleegster naar het ziekenhuis gereden. Onderweg kwamen we Leo tegen en helemaal verbaasd vroeg hij me “waarom ik in bed lag?” Ik wist niet of ik moest huilen of lachen, maar onze Leo wist echt niet meer dat hij me uit bed had getrokken. Ik vergeef het hem, maar het blijft vreemd. In het ziekenhuis wordt ik eerst naar de röntgen gereden. Dat ze zelfs in een ziekenhuis drempels hebben verbaasd me nog steeds. Dit merk je pas echt als je met een gebroken been in een ziekenhuis bed er over heen wordt gereden. Op de röntgen worden mijn plankjes verwijderd wat de pijn niet ten goede komt. Bij iedere foto moest ik 5 minuten mijn adem inhouden. Toen uiteindelijk de foto geslaagd was, reden we naar de gipskamer.

De oude binnentuin waar  ook de de gipskamer op uit keek.

De oude binnentuin waar ook de de gipskamer op uit keek.

Het domein van gipsmeester Wiellersen. Want in de gipskamer was zijn wil wet. Dit was de eerste keer dat ik hem zou ontmoeten. Van jongeren die hem al hadden meegemaakt wist ik al dat het een beul was . Hij stond er berucht om dat hij ruggen recht kon krijgen met een soort van marteltafel waar je met een enorm rad uit elkaar werdt getrokken. Dit beloofde weinig goeds en ik zette me schrap. De pijn in mijn been leek nu even af te nemen. Ik wilde eigenlijk nog maar een ding, terug naar de afdeling. Maar het was al te laat, kordaat werd ik de martelkamer ingereden door mijn zuster. Haar werd al snel te kennen gegeven dat ze me maar even in het halletje moest  laten wachten. “Als de patiënt klaar is roepen we u wel.” Na een klein half uur kwam de beul. “Ik ben dokter Wiellersen” Nou, dat wist ik al. Ik werd meegenomen de gipskamer in. De marteltafel heb ik niet gezien, maar wel allerlei stellages aan het plafond. Leren bandjes waar je hoofd in vast gezet kon worden met  een touw bevestigd aan een katrol. Deze attributen deden me het ergste vrezen. De gipsmeester was eigenlijk best vriendelijk, hij stelde zich zelfs voor, maar was wel heel duidelijk. “Jantje: (dat had hij uit het dossier)ik ga je nu even pijn doen. “Je been is op twee plaatsen gebroken. Ik moet hem even recht zetten en daarna gips ik hem in.  Als je even op je tanden bijt is de pijn zo over.  Maar als je gaat tegenstribbelen of huilen krijg je een klap met deze hamer!” Op dat moment hield hij een rubber hamer omhoog. Ik heb er voor gekozen om maar even op mijn tanden te bijten.
Nog steeds vraag ik me af of hij ooit de rubber hamer gebruikt heeft? Maar een ding heeft hij wel bereikt, zijn faam als beul was in de wandelgangen weer gestegen.

Laat hier je reactie achter: