Categorie archief: Boekcitaat

Survivaltraining Ardennen 1978 de ommekeer!

Opleiding MBO SD: sociale dienstverlening.

Deze opleiding was ik al begonnen toen ik nog op de Maartenskliniek zat. De opleiding zat in een oud gebouw met een enorme monumentale trap voor de ingang. Het klaslokaal van onze groep bevondt zich op de zolderverdieping: nog eens drie trappen omhoog. 

trap voor de ingang

MBO SD Van Trieststraat 1b Nijmegen

Tillen

Mijn studiegenoten hebben me twee jaar lang alle trappen op en af gedragen. Ze waren allemaal veel ouder. De meeste hadden al een baan, woonde samen en deden dit als bijscholing. Op deze opleiding was ik behoorlijk onzeker. Na jaren op een internaat gewoond te hebben bevond ik me nu in de echte wereld. Ik wilde de instellingen waar ik jaren gezeten had (bijvoorbeeld de Sint Maartenskliniek) tot de grond toe afbranden en de positie van mensen met een handicap in de samenleving versterken. In 1976 had ik gelezen dat gehandicapten ook mensenrechten hadden. Dat was mijn drijfveer om door te gaan. Integratie, gelijke rechten en deelnemen aan de samenleving waren kernwoorden voor mijn strijd. Ik was enigszins gefrustreerd dat ik geen verandering had kunnen aanbrengen binnen het internaat en heb toen maar besloten dat ik als professional de wereld ging veranderen.  

Zachte heelmeester maken stinkende wonden!

Maar tijdens deze onze opleiding moest ik eerst door mijn eigen angsten, verdriet en woede heen om andere mensen te kunt helpen. Buiten vakken als sociologie, rechten en filosofie waren de vakken psychologie, groepswerk en sensitivity training, RET en politiserende hulpverlening. Deze warencvooral gericht op eigen ervaring en mensen aanzetten om iets aan hun eigen situatie te verbeteren. Daarnaast hadden we groepsactiviteiten zoals bio-energetica en lichaamsgericht werken. Iets wat toch wel heel dicht bij mijn eigen grenzen kwam. ‘Blijf van mijn lijf’ was iets wat na jaren van onteigening van mijn lichaam in ziekenhuizen mijn lijfspreuk was geworden.. De eerste 1 ½ jaar heb ik me dan behoorlijk onzichtbaar gemaakt en iedereen die ook maar het woord handicap, gevoel, emotie of acceptatie aan de orde wilde stellen in de groep wist ik met een grap weer op andere gedachte te brengen. Ik was nu hulpverlener en geen patiënt was steevast mijn antwoord.

De ommekeer

De grote ommekeer kwam toen een van onze medestudenten Ton voorstelde om een gezamenlijke overlevingstraining te doen. Ton werkte bij Outward Bound een trainingscentrum voor overlevings-trainingen voor zeevarende. Natuurlijk werd er gesproken over mijn beperkingen en hoe we daar met onze groep mee om moesten gaan. “Geen probleem, ik hou wel van avontuur” dacht ik. Eind september zouden we voor drie dagen vertrekken naar de Ardennen diep in de bossen. Met de auto werden we gedropt in het bos aan een snel stromend riviertje. Het was al duidelijk herfst. Kou, regen en soms zelfs witte sneeuw was aan de orde van de dag. Mijn groepsgenoten hadden me met rolstoel en al getild om bij onze kampplaats te komen. Voor deze uitzonderlijke tocht had ik een gele zeilbroek gekocht om te voorkomen dat mijn beugels en korset nat konden worden. Al snel werd me duidelijk dat mijn rolstoel in deze prehistorische wildernis me niet verder zou helpen. De ondergrond is zeer ongelijk en met boomtakken en afgevallen bladeren bezaaid. Hierdoor kwam ik tot de beslissing dat ik zou plaats nemen op een omgevallen boomstam. In geval van nood kan ik me op mijn handen verslepen. Daarnaast kon ik me nu op de grond nuttig maken door te helpen met het opzetten van onze tent.

Onze tenten

Theo, Ashwin en ik zouden de tent delen. Nou ja tent? Een soort zeil met in het midden de tentstok. Je was beschermd tegen wind en regen. Inmiddels lag de temperatuur rond het vriespunt. Ton en Miriam hadden inmiddels een groot kampvuur aangelegd. In het midden van ons kampement van vijf tenten. Onze groep bestond uit 13 medestudenten (want niet iedereen durfde het avontuur aan). Maar mijn slogan is altijd geweest dat je alles een keer moet hebben meegemaakt. Rond het kampvuur werd ons eerste groepsgesprek gehouden. De bedoeling was dat de groep met kano’s de wilde rivier zou afvaren. Ik voelde hem al hangen want met mijn breekbare botten en een Korsetbeugelapparaat van 6 kilo aan ijzer en leer zouden mijn kansen om dit tochtje goed door te komen erg klein zijn. In goed overleg is besloten dat ik het kampvuur brandende zou houden. Of je nu wilt of niet op dit soort momenten loop je wel tegen je beperkingen aan. Ik werd nog even geholpen om op een oude boomstam van een berk te gaan zitten. Wat fijn was, omdat ik hierdoor niet de hele tijd op de koude natte grond hoefde te zitten. Boven het kampvuur hadden we in een oude pan Turkse koffie gemaakt. Klinkt goed, maar helaas is dit gewoon gekookt water met een paar scheppen koffie erin. Om warm te blijven is het hartstikke goed, voor smaak iets minder. Hennie, een van mijn medestudenten, bood aan om bij mij te blijven. Ton, onze expeditieleider, vond dit niet goed. Want, en dat  was ik met hem eens, hij vond dat iedereen zijn eigen grenzen moest leren kennen.

Moedig

Moedig zei ik:  “laat mij maar bij het vuur dan zorg ik dat het blijft branden en als jullie dan terug komen dan heb ik de koffie klaar”. Onze groep vertrok na instructies te hebben gehad van Ton, gehuld in waterdichte kleding zwemvesten en kajak helmen.

Aan het kampvuur

Nog een keer zwaaien ze naar me. Vanaf mijn boomstam kon ik zien hoe ze de rivier afvoeren. Het kampvuur bestond uit drie grote boomstammen die ondersteund werd door grotere en kleinere takken. De warmte die het kampvuur gaf was in de regenachtige omgeving behaaglijk. Maar toen realiseerde ik me pas echt wat alleen zijn betekend. Midden in de Belgische Ardennen: de bewoonbare wereld was zeker 25 km rijden. Dit was dan ook de eerste keer dat ik niet iemand om me heen had en alleen was met mijn gedachte.

Paniek

Een lichte paniek maakte zich me van me meester. Als je zo vaak iets gebroken hebt als ik probeer je altijd alles onder controle te hebben. Als ik in een kerk ben kijk ik of er geen steen uit het plafond los zit, stoepen scan ik op niet goed gelegde tegels. Ook de opritten controleer ik snel op steilheid enzovoort. Zo helemaal alleen in de wildernis voel ik me net als die jonge mensen met een beperking in Afrika die zich op handen en voeten moeten voortbewegen. Ik dacht: als ik nu iets breek in deze omgeving kan ik proberen mijn bot te spalken met berkenbast en takken en hopelijk kan ik dan de veters uit mijn schoenen gebruiken. Kort voor deze tocht heb ik een survivalboek gekocht van de SAS. Noodgevallen moet je niet opzoeken, maar je moet wel weten wat je moet doen. Al mijmerend in de regen realiseer ik me dat ik het vuur moet aanhouden want als ik bij deze kou geen warmte heb is er echt een probleem. Schuifelend over mijn boomstam pook ik het vuur nog wat op en gooi nog wat dikke takken op het vuur. Mijn teamgenoten zijn nu al twee uur weg en de regen veranderd langzaam in natte sneeuw. Om mij heen hoor ik het gekraak van een vallende boom. De dieren in het bos lopen langs mij heen.  De insecten uit de brandende boomstammen proberen zich te redden uit het vuur. Je weet niet wat je ziet want in die takken zitten hele colonnes mieren, doodgravers en andere voor mij onbekende insecten. Drie meter achter me staat mijn rolstoel. Ik probeer me om te draaien, maar dan val ik achterover omdat de boomstam is gaan rollen. Mijn kont nog op de boom stam, mijn benen aan de ene kant en mijn hoofd aan de andere kant. Omdat mijn korst-beugelapparaat een soort van ridderharnas is kom ik op geen enkele manier meer rechtop.

brandend vuur

Kampvuur

Het einde?

De natte sneeuw daalt op me neer. Gelukkig draag ik een bril. Kijkend naar de hemel zie ik alle sneeuwvlokken op me afkomen. Dat moment was heel erg confronterend. Ik had niets gebroken maar ik kon helemaal niets doen om mezelf uit deze situatie te bevrijden. Wat ik ook deed; ik zat vast in mijn, normaal zo beschermende, korset. Doordat ik een lange arm heb aan mijn linker kant kan ik bij mijn pet komen. Deze leg ik ter bescherming over mijn gezicht. Mijn andere arm is zo krom als wat en is meer geschikt voor het kleinere werk.

Ellende komt nooit alleen: nu rook ik weer een rubber lucht en realiseerde dat ik ondanks de kou toch wel warme voeten had. Ik kwam er al gauw achter dat de boomstam door mijn capriolen dichter naar het vuur was gerold. Het vuur had inmiddels de lijm van mijn voetzolen zacht gemaakt en ik realiseerde me dat ik weg moest. Van huis uit ben ik een overlevingstype dus het zou toch niet gebeuren dat ik zelfs een kampvuur niet kon overleven. Met alle kracht probeer ik door me af te zetten met mijn benen mijn kont van de boomstam te krijgen uiteindelijk lukt het me om iets verder van het vuur te komen. Liggend op mijn rug met mijn benen nog op de boomstam wacht ik af. Het vuur wordt steeds minder heet omdat ik geen brandstof meer kan toevoegen. Vechtend tegen mijn tranen, want een man mag niet huilen. Vloek ik in mezelf: ‘waarom kan ik niet gewoon lopen, rennen en meedoen met de groep.’ Het is de eerste keer dat ik moet bekennen dat ik het klote vind. De machteloosheid, kwaadheid en verdriet over deze constatering gaat over in angst want wat mij nu overkomt, kan onze groep ook overkomen. Zouden ze wel terug komen? Zitten ze nu zelf in een ziekenhuis? of misschien wel in een lokale kroeg aan een goed glas bier? Vergeten ze me? Mobiele telefoons hadden we nog niet en eerlijk gezegd ik heb ook geen idee waar ik nu zit. Zouden er ook wilde dieren zijn? De stilte is adembenemend en nergens hoor ik menselijke geluiden. Alleen maar de geluiden van het bos en haar bewoners. De kou begint nu ook invloed te hebben; ik word rustiger en luister naar het kloppen van mijn hart, de sneeuw die op mijn bril spat en het spatten van het vuur, wat steeds minder wordt. De stilte en de eenzaamheid waren misschien nog wel meer confronterend dan het feit dat ik pijn had in mijn rug en steeds kouder en natter werd.  Mijn leven trok zich aan me voorbij. Ik denk aan al mijn vrienden die zijn overleden, vaak veel te jong en vaak in bed, in de Sint Maartenskliniek.

Je weet niet beter

Onze groepsleiding zei altijd als je vanaf je geboorte een handicap hebt is dat minder erg dan als je het later krijgt door ziekte of ongeluk. “Jij weet toch niet beter!” Dat laatste is waar. Maar ook ik droomde er van dat ik in bomen kon klimmen en gewoon had kunnen lopen en geen korset had gehad. Dan was ik nu met de groep in een kano de rivier afgezakt. Even liep er weer een zoute traan over mijn wangen. Hij vermengde zich met een sneeuwvolk en viel uiteindelijk in het gras. Nee, je handicap accepteer je nooit. Natuurlijk is de schok bij een ongeluk veel groter en intenser, maar de acceptatie problematiek gaat bij een veteraan als ik geleidelijker en bij iedere nieuwe levensfase loop je tegen nieuwe problemen op. Ik schrik op uit mijn gedachte want ik de verte hoor ik stemmen van mensen. Zou het onze groep zijn?

Gered

Het was al aardig donker en het vuur was bijna uit. Ze zouden me toch wel terug vinden? Een half uur later ongeveer hoorde ik iemand naar me toe rennen. Het was Ton, onze expeditieleider, die uit de verte al zag dat er iets niet klopte.

Niet meer alleen

Met zijn hulp werd ik uit mijn benarde toestand gehaald en weer in mijn oude, vertrouwde rolstoel gezet. Snel werd het vuur met nieuwe brandstof voorzien en door de warmte van het vuur droogde mijn kleren op. De rest van de groep kwam er ook bij nadat ze de kano’s  hadden verzorgd. Miriam en Ton maakte de blikken erwtensoep open deden ze in een grote pan en boven het vuur werd die warm gemaakt. Dat erwtensoep zo lekker kan  smaken. Onze verhalen werden bij het kampvuur in een groepsgesprek besproken. Het was de eerste keer dat ik zo dicht bij mijn gevoelens was geweest en nu deelde ik het ook nog met mijn groep. Ja, als dit overleven is dan weet ik nu wat er voor nodig is.

Turkse koffie

S’ avonds slapen we met zijn drieën in het tentje. De volgende morgen om 7.00 uur ontbijten we gezamenlijk. Het is nog steeds koud maar de Turkse koffie wordt steeds lekkerder. De groep besluit om te gaan abseilen. Ik durfde niet mee te doen, maar we besluiten om mij wel mee te nemen. 4 sterke mannen uit onze groep zouden mijn rolstoel ,met mij er in, tillen naar het hoogste punt. De steile hellingen van de Ardennen beklimmen met een rolstoel is een overlevingstocht op zich. Mijn teamgenoten zeiden dat ik vertrouwen moest hebben en ze me niet zouden loslaten. Makkelijk kletsen…  ik wist wat er allemaal mis kon gaan en vertrouwen in de ander is mooi maar eigen regie is wat anders. Uiteindelijk kwamen we gelukkig boven aan en ik liet mijn rolstoel naast een houten bankje zetten. Ik schoof van uit de rolstoel over naar het groene houten bankje. Hier zat ik veiliger en steviger dan in mijn rolstoel. Het prachtige uitzicht over de hellingen van de Ardennen was adembenemend. De rest van de groep ging abseilen. De kreten van angst van de rest van de groep hoorde ik verder onder me. Op de een of andere manier deed me dat goed: ook zij kenden blijkbaar angst. Geeft toch weer een groepsgevoel. Ik genoot nu van de stilte. Zelfs de zon verwarmde mijn gezicht; mijn ervaring van gisteren had louterend gewerkt.

Nawoord:

Nu 39 jaar later wordt misschien ook duidelijk waarom ik op mijn visitekaartje en site deze foto heb staan.

Toen ik besloot om mijn eigen bedrijf te starten en me in te schrijven bij de Kamer van Koophandel realiseerde ik me dat ‘Inclusie Verenigt’ een uitvloeisel is van wat ik toen geleerd heb. Geef niet op, emotie mag er zijn, deel het met anderen en geloof in het leven. 

aan kampvuur

visite kaartje

 

Ik kan wel janken!

Iedereen heeft wel eens zo’n dag dat je het gevoel hebt dat je de regie over je eigen leven kwijt bent. Toen ik geboren werd dachten ze dat ik al overleden was. Maar geheel onverwachts begon ik te schreeuwen! Nu, 58 jaar later, heb ik weer dat gevoel.
Het gevoel dat ik weer ga schreeuwen!

kleuterschool zuster Reinilda met jantje

Vanaf mijn veertiende ben ik actief in de belangenbehartiging. Ik ben zelfs voorzitter/extern directeur bij de CG Raad geweest. Dit was een geweldige baan met een goed inkomen.

Wat er aan voor af ging

Tien jaar lang heb ik me vrijwillig 40 uur per week ingezet als belangenbehartiger bij de Werkgroep Integratie Gehandicapten in Nijmegen. Hier heb ik samen met Marjola van de Brandt het eerste voorlichtingsproject voor scholen op mogen zetten. Integratie in optima forma.  Ik besloot om mijn AAW (huidige WAJONG) uitkering te verlaten en met een WVM (Wet Veruimende Maatregel) bij het Cultureel Centrum de Lindenberg te gaan werken. De toenmalige directeur Rob Oosthout heeft me de kans gegeven om met die maatregel een “echt” betaalde baan te hebben. Alhoewel, onder ons… het was wel 100 gulden minder dan mijn inkomen met AAW. Maar hier heb ik wel mijn vrouw Paula leren kennen. Vrijwilligerswerk geeft ook nieuwe kansen!

Lindenbergbezetting 3 en 4 dec 1980 onderhandelingen in de  bistro. Toos vissers, Paula Boek,  Loek Dings en Jan Troost met politie en directie.

Bezetting Lindenberg

Maar na de bezetting van de Lindenberg en nadat de Gemeente Nijmegen het centrum alsnog aanpaste voor 1,8 miljoen gulden werd het tijd dat er ook mensen met een handicap letterlijk over de drempel werden geholpen.  Hier heb ik zowel medewerkers als mensen met een handicap in contact met elkaar laten komen. 

Het activiteitencentrum

Maar wonder boven wonder nadat ik een jaar met veel plezier hier heb gewerkt kreeg ik een baan bij het activiteitencentrum het Akcent in Zwolle. Hier kon ik aan de slag als activiteitenbegeleider. Een bijzondere tijd. De toenmalig voorzitter was van mening dat ik (als gehandicapte) een verkeerd voorbeeld zou zijn voor onze cliënten.  Zij zouden wel eens kunnen denken dat zij ook wel betaald werk konden krijgen. Ik heb het geluk gehad dat de toenmalige directeur Maarten zijn nek voor me heeft uitgestoken, meer dan je van een normale directeur zou mogen verwachten. Hier heb ik bijna twee jaar met veel plezier mogen werken.  

Activiteitenbegeleider videpgroep

Juist de jonge mensen die op dat moment van uit de instelling  Bloemenstein kwamen waren voor mij een uitdaging om samen met mijn collega’s ze een plek te laten krijgen in de ‘gewone’ samenleving. 

Terug bij de WIG in Nijmegen

Mede door deze ervaring voelde ik dat, na bijna twee jaar van Wijchen naar Zwolle te hebben gereden, het tijd werd om in de nabijheid van ons huis in Wijchen weer een baan te zoeken. Bij mijn oude club de WIG, waar ik ooit begonnen ben als vrijwilliger, zochten ze een opbouwwerker (later coördinator) om samen met de bijna 40 vrijwillig(st)ers en stagiaires het gehandicaptenbeleid vorm te geven. Dit werk heb ik met veel plezier gedaan en was echt een ontzettend mooie tijd. Later, in 1995, werd ik gevraagd om me bezig te houden met rolstoelgebruikers in de Vierdaagse. 

Na dit avontuur werd ik benaderd of ik me beschikbaar wilde stellen als voorzitter van de landelijke Gehandicaptenraad. Na een uitgebreide sollicitatieprocedure ben ik in januari 1996 begonnen als voorzitter/extern directeur van de Gehandicaptenraad!

wordt vervolgd

Hoe is het zo gekomen? deel 1

Na lang wikken en wegen heb ik op het besluit genomen op 21 juni 2007 de langste dag.      

D-Day voor mijn boek. Al jaren ben ik er mee bezig maar afgelopen week telefonisch overleg gehad met oud tweede Kamerlid en journaliste José Smits en na een lekker warm bad ben ik er toch aan begonnen. Als het ooit bij u onder ogen komt weet u dat ik helaas (nog) geen uitgever gevonden heb.

TERUG NAAR HET ZIEKENHUIS.

Op maandag 21 juni 2007 ben ik onverwachts opgenomen in het ziekenhuis.

In de ambulance

In de ambulance

Paula mijn vrouw heeft met de huisarts gebeld ondanks dat ik dat niet wilde, ik had het gevoel dat ik mijn heup had gebroken, maar kon hem wel goed bewegen. Toen Paula even weg was heb ik snel twee pilsjes gedronken, want als  het mijn nieren zijn, helpt even doorspoelen. Deze diagnose was niet goed, want overgeven was mijn reactie. Even later kwam de huisarts die vond het verdacht en vond dat we toch even een foto moesten maken. Omdat ik zonder beugels niet in de auto kan heeft hij de ambulance gebeld. Kort daarop kwam die, de verpleegkundige constateerde hoge koorts. Door haar en de ambulance chauffeur ben ik op de brancard gelegd. Jeske mijn dochter die zelf al meerdere keren in de ambulance heeft gelegen mag samen met de chauffeur voor in zitten. Paula rijdt met haar auto achter de ambulance aan naar het Canisius ziekenhuis. Door de eerste hulp worden we ontvangen waar al snel bleek dat ik 39.8 had. Op dat moment viel de stroom uit, met zaklampen werd er verder gewerkt. Inmiddels was mijn linkerbeen helemaal rood geworden en brandde en jeukte. Het been zwol langzaam op. Raar is dat toen op een bepaalde manier bij mij ook het licht uit ging.

Paula had wel door dat het niet goed was en vertelde me dat ik vanavond hier moest blijven. Ondanks mijn angst voor ziekenhuizen heb ik niet geprotesteerd. Paula en Jeske waren aan mijn zijde en ik gaf me maar over. Het gevoel van een varken dat toch naar de slachtbank moet, maakte zich van mij meester. Met bed en al naar afdeling 44, heelkunde, tot mijn verrassing met drie vrouwen. Voor mij de eerste keer op een gemengde afdeling. Door de koorts viel ik snel in slaap.

Mijn eerste dagen

Mijn moeder werd van mijn komst op de hoogte gesteld door misselijkheid. Ze ging naar haar huisarts, Dr van de Willigen. Hij vertelde dat ze in verwachting was. Helemaal blij reed ze op de fiets naar huis, want de mobiele telefoon was er nog niet. Mijn vader was blij verrast. Of het een zoon of dochter was wisten mij ouders niet en ze keken vol verwachting uit naar mijn komst.

Mijn geboortehuis

Mijn geboortehuis

Zij woonden in Nieuw Loosdrecht in een oud veenwerkers huisje achter restaurant De Rietschans, een klasse restaurant aan de Loosdrechtse Plassen. De strijd om te overleven is daar begonnen in een klein houten huisje van 4 bij 6 meter met een rieten dak, met uitzicht op de jachthaven van De Rietschans, waar mijn vader werkte. Een betere plek om geboren te worden bestaat niet. Maar zo ver was het nog niet, eerst moest de familie nog op de hoogte gesteld worden van mijn komst.

De Rietschans 1958

De Rietschans 1958

Nog geen telefoon

De familie was er ook blij mee, het duurde wel even voor dat iedereen het wist. Telefoon hadden ze thuis nog niet. De familie werd dan ook op de hoogte gesteld door brieven of het nieuws ging van mond tot mond. Iets wat toen soms sneller ging dan de email nu. Cors Lamme, een huisvriend die mijn vader had leren kennen op de jachthaven van Bot, kwam vaak bij mijn ouders langs op de motor. Ze vertelden hem dan ook meteen van mijn komst. Buiten mijn ouders en de huisarts was hij één van de eerste die het wist en hij vond het heel leuk dat er een kleine kwam. De band tussen Cors en mij is toen al ontstaan. Mijn ouders gingen naar de winkel om een ledikantje uit te zoeken. De familie Hendriksen, waar mijn moeder in betrekking was als kindermeisje, kreeg het nieuws van mijn komst persoonlijk. De familie bood spontaan hun oude wieg aan met de woorden: “Gerda je weet zelf hoe mooi hij is”.

Mijn wieg

Mijn wieg

Al hun kinderen hadden al gebruik gemaakt van deze wieg. Van oma en opa Troost kregen ze geld voor een kinderwagen dus mijn ouders hebben in de winkel een nieuwe kinderwagen gekocht. De wieg bij Hendriksen werd opgehaald. De wieg  was niet alleen heel mooi maar ze was ook klein. Dat was in het kleine huisje van 4 bij 6 meter ook wel heel handig. Nu maar wachten op mijn komst. Dokter van der Willigen zei dat mijn moeder gewoon thuis kon bevallen. In Hilversum woonde mijn oom Cor en tante Tonnie. Tijdens de zwangerschap van mijn moeder woonde bij Oom Cor en tante Tonnie een kraamverpleegster, Katrien.  Mijn ouders konden het goed met haar vinden dus Katrien bood aan dat ze graag wilde komen als het zo ver was.

Weggelegd!

Nou, op 3 april 1958 was het zover: nadat de dokter 5 keer onverichterzake weer was vertrokken kwam Katrien erbij. Voor Katrien wilde ik wel komen, ik had toen al een hekel aan dokters… en om 4.30 zag ik het levenslicht. Katrien liet me zien aan mijn ouders en legde me heel snel in de wieg, gewikkeld in een luier. Mijn ouders hadden niet in de gaten dat ik al dood verklaard was, ik was heel erg blauw, koud en huilde niet. Katrien liep naar mijn moeder om haar verder te behandelen. Hoe zou ze nu moeten vertellen dat hun jongen er niet meer was. Nu was het tijd voor mijn comeback en ik zette het op een huilen. Katrien schrok er van en liep terug  naar de wieg. Dat was me wat, nu kon ze me in volle glorie laten zien: een knappe baby met lang zwart haar. Mijn ouders waren dolblij en realiseerden zich niet dat ik door het oog van de naald was gekropen. Mijn vader heeft toen bij het restaurant gebeld naar de moeder en stiefvader van ma, mijn opa en oma Branderhorst, om het goede nieuws te vertellen. Ik had de naam Jan gekregen en was vernoemd naar mijn opa.

Met oma en opa Branderhorst

Met oma en opa Branderhorst

Vanaf dat moment kwam iedere dag de dokter kijken. Katrien vertelde dat ik altijd zo huilde als ze aan me kwam. Dokter Willigen keek er voortdurend naar en voelde dan aan mijn arm. Dat deed zeer maar iedere keer zat hij er weer aan. Na tien dagen kwam tante Marry op bezoek, de oudste zus van mijn moeder. Onze huisdokter kwam weer. Hij vertelde dat ik vanmiddag naar het ziekenhuis moest voor onderzoek. “Om 15.00 uur komt de ziekenauto. Dan moeten jullie met hem naar Hilversum, dat armpje vertrouw ik niet”. “Mijn zus kan toch wel met een gewone auto?”, vraagt tante Marry. “Nee”,  zei de dokter, “het gaat niet om uw zus, maar om Jan”. Mijn vader wilde ook graag mee maar kon geen vrij krijgen. Voor het eerst met de ziekenauto samen met mijn moeder. De rit naar het Diaconessenziekenhuis in Hilversum verloopt prima. De Zusters staan bij de ingang al op ons te wachten. Ik ging samen met ma naar dokter Nolen, die mijn moeder het hemd van het lijf vroeg. Toen zei hij: “Blijft u maar even hier, ik neem Jantje mee”. Het was de eerste keer dat ik gescheiden van mijn moeder samen met een dokter was. Dokter Nolen onderzocht me zorgvuldig van top tot teen. Daarna werd ik naar de röntgenafdeling gebracht waar mijn eerste röntgenfoto’s werden gemaakt. Dokter Nolen bracht me terug naar mijn moeder en die vertelde dat er twee dames zaten te wachten. “Het is familie van u” zei de dokter. Op dat moment kwamen mijn tante Ali en tante Tonnie binnen.  Zij mochten er bij zijn toen de dokter aan mijn moeder vertelde dat ik mijn arm en been had gebroken. Dat wist ik zelf al wel, want die pijn had ik al mijn hele leven, maar ja, nu zegt een ander het.

De diagnose

Bij pa op de arm

Bij pa op de arm

Dokter Nolen vertelde dat ze er rekening mee moesten houden dat ik nog veel meer zou breken want ik had de bot aandoening Osteogenesis Imperfecta, ook wel brekebeentjes genoemd. “Als hij 17 jaar is heeft hij het ergste gehad”. Dat heb ik altijd goed onthouden en hij heeft gelijk gekregen. Tegenwoordig zou je deze uitspraak niet zo snel meer doen. De kennis van toen was niet groot en eigenlijk had ik enorm geluk dat toen de juiste diagnose is gesteld. Het was helder dat hij me onder controle wilde houden want er waren er maar weinig  die deze aandoening kenden en toevallig had hij er over gelezen in een medisch tijdschrift. Aan de familie die aanwezig was werd gevraagd of hij ze in de ogen mocht kijken op zoek naar blauw oogwit, een symptoom van Osteogenesis Imperfecta. Maar dat was niet het geval. Het stond al snel vast dat ik een mutant was. Vanaf nu ben ik stamvader van een nieuwe aandoening in onze familie. Samen met mijn moeder weer terug in de ziekenauto naar huis. Mijn moeder bereidde zich vast voor, hoe vertel ik het Freek (mijn Vader). Dat was niet makkelijk maar ja, je moet er mee verder. Daarna werd de rest van de familie ingelicht en ook Cors die nog vaker langs kwam. Later heb ik nog een week in het ziekenhuis doorgebracht bij dr Nolen voor verder onderzoek. Mijn eerste ziekenhuiservaring,  later zou blijken dat dit nog maar het begin was en ik nog jaren van mijn leven in het ziekenhuis zou doorbrengen.

De box

Dokter Nolen vertelde mijn ouders dat ik niet naar het ziekenhuis hoefde als ik wat brak. Als ik iets brak dan moesten ze onze huisarts Dokter van der Willigen bellen. Dokter van der Willigen kwam vaak bij ons thuis op doktersvisite en ik groeide goed. Al gauw kwam er een ledikant en de nieuwe kinderwagen van oma en opa Troost. Mijn vader en moeder waren erg trots op me, dat voelde goed. Cors, onze huisvriend, kwam regelmatig langs. Het eerste jaar verliep alles goed, ik was een rustige en tevreden baby. Mijn ouders hadden een wc stoeltje gekocht waar ik op kon worden vast gebonden. Want als ik viel brak ik wat en dat probeerden ze te allen tijden te voorkomen.

De box

De box

Ook de box deed zijn intrede; een mooie houten box met ontelbare spijlen van beukenhout. In het midden van de voorkant van de box hingen uitdagende gekleurde kralen die je van rechts naar links kon schuiven, drie rijen boven elkaar. Net als bij het Russisch telraam dat ik later cadeau zou krijgen van Ole Wudich, mijn kameraad, waarmee ik in 1992 een reis naar Rusland zou maken. Je begrijpt dat ik deze uitdaging als jonge onderzoeker niet kon weerstaan. De box kondigde weer een nieuwe periode van breuken aan. Steeds weer brak ik een beentje, doordat ik aan mijn onderzoekende geest de voorrang gaf, boven de veiligheid van de bodem van de box. Een ezel stoot zich in het gemeen niet tweemaal aan de zelfde steen, maar ik wel. Na twee keer mijn been te hebben gebroken paste mijn vader de box aan: hij timmerde plankjes aan de binnenkant van de box. Ik kon nog wel over de plankjes heen kijken maar niet meer met mijn benen tussen de spijlen door. Deze plankjes waren voor mij een goed hulpmiddel om te gaan staan. Maar dat hielden mijn zwakke botten niet dus weer spalken. Gelukkig genazen mijn botten snel en bleef ik goed gehumeurd.

Duraboline injecties

Op 15 december 1959 ging het echter goed mis. Mijn linker been brak bij het gaan staan in de box. Nu kon ik niet thuis blijven en ik werd opgenomen in het ziekenhuis. Na onderzoek werd mijn been met een rekverband weer in de juiste stand geholpen. In het ziekenhuis in Hilversum zou ik ook mijn eerste Duraboline injecties krijgen. Deze injecties,  pure doping, zouden vele jaren later de hele tour de France  op zijn kop zetten. Ook is nog overwogen om Ossopan, een soort van kalktabletten, te geven maar volgens mijn medisch dossier is hier van afgezien. Mijn ouders kwamen ieder dag op bezoek op de fiets van Loosdrecht naar Hilversum. Mijn moeder had veel steun van mijn tante Ali en tante Tonnie die beiden naast elkaar woonden in Hilversum.

DE VERHUIZING.

Mijn vader had een nieuwe baan, dekknecht op de pont van Dordrecht. Mijn vader komt uit een echte schippersfamilie en is zelf ook geboren op een schip. Hij wilde graag kapitein worden maar helaas, door dat hij kleurenblind was kwam hij niet door de keuring. Maar het was wel een vaste baan.

De pont

De pont

Op 31 december 1959 was het zover: opa Troost had een vrachtwagen geregeld voor de verhuizing. Ik bleef alleen achter in het ziekenhuis en mijn vader en moeder reden met de vrachtwagen mee naar Dordrecht. Al onze spullen werden opgeslagen in een garage van mijn opa. Oudejaarsavond logeerden mijn vader en moeder bij oma en opa Troost. Mijn opa ging altijd om 22.00 uur naar bed, dus ook deze avond. Mijn ouders moesten dus ook naar bed toe. Mijn vader viel al snel in slaap maar mijn moeder zat in de vensterbank te kijken naar het vuurwerk. Ze dacht aan mij en vroeg zich af hoe dit nu allemaal verder moest. Geen Jan, geen thuis en nu alleen zittend in de vensterbank kijkend naar het mooie vuurwerk.  Mijn moeder dacht terug aan al die leuke oudejaarsavonden bij haar moeder thuis.

Mijn vader begon op 4 januari als dekknecht op de pont. ’s Avonds  kwam mijn moeder in de hal mijn opa tegen. “Gerda, het gaat niet goed met oma ,ze wordt niet goed en is depressief. Daarom wil ik dat jullie weer weg gaan”.

De volgende morgen gaat mijn moeder met de trein naar Hilversum, naar tante Ali. Ze werd daar met open armen ontvangen en natuurlijk was ze heel blij dat ze weer bij mij op bezoek kon in het ziekenhuis waar ik de feestdagen had doorgebracht. In middels was mijn moeder zwanger van mijn jongere broer, wat natuurlijk ook weer spannend was Na zes weken mocht ik weer uit het ziekenhuis. Tante Tonnie en oom Cor brachten ons met de oude Peugeot naar Werkendam waar me mochten wonen bij de zus van mijn moeder, tante Ali en oom Co. Als mijn vader vrij was kwam hij ons bezoeken in Werkendam. De huisarts kwam ieder week een Duraboline injectie geven in mijn been, in de hoop dat het de botten sterker zou maken.

Maar ja, zo op elkaars lip zitten bij je familie was niet de ideale oplossing. Ondanks de fijne tijd toch maar weer verkassen. Nu naar mijn oma en opa in Babiloniënbroek met de taxi. Daar werd ik enorm verwend, voor mijn opa was ik als naamgenoot het ideale kleinkind en mijn oma genoot er van om mijn moeder en mij te verwennen met lekker eten en drinken. Mijn Bourgondische inslag is er bij mij met de paplepel ingegoten.

De Nessestraat.

Tijdens een bezoek in Babiloniënbroek vertelde mijn vader dat we een woning toegewezen hadden gekregen van de gemeente. Op 1 maart krijgen we de sleutel van een torenwoning met twee verdiepingen.  Mijn moeder was helemaal blij want eindelijk zou ons gezin weer herenigd zijn.

De Nessestraat Dordrecht

De Nessestraat Dordrecht

Ons geluk kon niet op want we hadden nu ook weer een eigen huisarts, Dokter de Raadt, een vriend van Dokter van Willigen uit Loosdrecht.  Al mijn gegevens uit Hilversum van het Diaconessen ziekenhuis en alle informatie uit Loosdrecht had hij gekregen. Dus er hoefde maar weinig verteld te worden. Bij de volgende breuk moesten we naar het Gemeente ziekenhuis naar Dr Zwijsen, een echte dokter, die het dieet niet had uitgevonden, met een enorme zwarte bril op zijn neus en heel erg aardig. Dr Zwijsen zou veel jaren mijn dokter zijn en een soort van tweede vader. Als je zo vaak in twee werelden leeft ga je je er aan hechten. Dit was voor mijn ouders vaak moeilijk; als ik naar het ziekenhuis moest verzette ik me er tegen maar als ik er in lag wilde ik niet meer naar huis. Als ik iets brak was dokter Zwijsen er altijd, dag en nacht, en anders kwam hij van huis om me te helpen. De veiligheid van je eigen dokter waar je van wist dat hij het goed met je voor had zou voor mij de houvast zijn in de pijn. Want je wist dat nadat je arm of been weer in het gips, spalk  of rekverband was gezet de pijn zou afnemen en alles weer beter zou worden. Pijnstillers kreeg  ik niet van dokter Zwijsen, ik moest maar even op mijn tanden bijten of mijn vader in de hand knijpen.

Mijn vader

Mijn vader was er zo ver ik me herinner altijd bij, soms mijn moeder. Eén keer mochten ze niet mee naar binnen. Ik had mijn linker bovenarm gebroken tijdens een ritje naar Loosdrecht. Mijn been zat in het gips en daarom moest ik op de achterbank. Mijn vader had een plank op de achterplank gelegd zo dat ze me er makkelijk in konden schuiven. Op de terug reis wilde ik me afzetten en ik brak mijn arm. Mijn ouders besloten naar Dordrecht te reizen naar het oude vertrouwde Gemeenteziekenhuis, mijn arm in een draagdoek. Na anderhalf uur kwamen we bij het ziekenhuis aan. Het eerste wat ik bibberend vroeg: “waar is dokter Zwijsen?”. Hij was er niet, een welverdiende vakantie.

Dokter Bruut

Maar een arts assistent zou mijn arm wel zetten. Ik werd in een aparte onderzoekskamer gereden.

Behandelkamer Gemeenteziekenhuis

Behandelkamer Gemeenteziekenhuis

De arts assistent maakt aan mijn vader duidelijk dat hij buiten moest wachten. Alleen gelaten met deze bruut voelde ik me heel eenzaam en alleen. Hij praatte niet met mij, maar alleen met de andere witte jas. De twee verpleegsters die mij probeerden te kalmeren waren lucht voor hem. Ik hoor hem nu nog zeggen: stel nu dat deze arm niet goed gebroken zou zijn, dan breek je hem nog eens. De daad bij het woord voegend brak hij mijn arm nog een keer. Paniek maakte zich van mij meester en ik voelde dat ik bijna van de wereld ging. Deze bruut, ik weet helaas zijn naam niet meer, zou ik nu nog voor het medisch tuchtcollege willen slepen. Maar ja, het is nu vast een gerenommeerd orthopeed die weet dat je kinderen met Osteogenesis Imperfecta voorzichtig moet behandelen. Het laatste wat ik weet is dat ik daarna heel snel ben ingegipst, zonder dat er een röntgenfoto gemaakt is. De bruut heb ik nooit meer terug gezien. Maar nu nog is mijn arm zo krom dat ze hem wel zes keer zouden moeten breken om hem weer recht te krijgen. De zogenaamde shaslick operatie, waar ze het bot in zes stukken zagen en dan om en om aan een pen weer aan elkaar rijgen. Of het succes zou hebben wisten ze niet maar nu, 41 later, is hij nog steeds krom en de operatie zou wel komen, als ik hem weer zou breken.

Dokter Bruut, dank hiervoor!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Expeditie Pskov (Rusland) juli 1992.

Uit mijn aanstaande boek “Troost Over Leven”

Dinsdag, 14 juli 1992

Het is drie uur ’s nachts. Na maanden van voorbereiding is het zover. Na een onrustige nacht, voelde de wekker als een bevrijding. Eindelijk hoefde ik er niet meer tegen op te zien, want nu is er geen weg meer terug. Paula (mijn vrouw/vriendin) stond al vast op, om koffie te zetten. Rob Vullings, mijn collega die ’s nachts bij ons geslapen had, was al wakker en liep slaperig door de gang. Rond half vier ging voor het eerst de bel van de voordeur. Verder lezen

HET RESERVAAT UIT, de wereld in 1977-1980 Deel 1

Het is zo ver , mijn tijd is gekomen  vandaag zal ik na 7 jaar het reservaat verlaten en ga de wijde wereld in. Gisterenavond heb ik afscheid genomen van mijn kamergenoten, ik kreeg als afscheidscadeau van Birgit ,de jongste van de groep, een sjaal waar alle kamergenoten en de groepsleiding een stuk aan gebreid hadden met evenzoveel kleuren wol. Samen met een nieuwe ‘snorren mok ‘ die voorkomt dat mijn inmiddels groter geworden snor nat wordt van de koffie. Vanochtend ben ik door mijn ouders naar Arnhem gebracht samen met al mijn spullen.

foto kamer jan met veel rommel

Kamer Paul Krugerstraat voor het eerst alleen!

In Arnhem heb ik dankzij onze muziekleraar Frans een kamer gevonden. Gelukkig midden in het centrum op de Paul Krugerstraat 24 op loopafstand van het centrum en het station. Nadat we de kamer verder hadden ingericht zijn mijn ouders weer naar Dordrecht gereden. Mijn buurman Paul maakte me al snel duidelijk dat hij nog al op zichzelf was en dat gezamenlijk eten niet zijn bedoeling was. Een tegenvaller want eigenlijk was ik nog nooit alleen geweest en Verder lezen

Carnaval 1980 uit de woonvorm gezet!

Al vele jaren vier ik carnaval bij mijn oude internaat vriendje, Jos. Eerst bij zijn ouders in Sittard en later in Landgraaf  in de woonvorm waar hij toen woonde. Tijdens één van de vele kroegavonden met mijn vrienden in Nijmegen kwamen we op het idee om met de hele club carnaval te gaan vieren in Maastricht. Joyce en Mick  kende ik van de Maartenskliniek en voor de rest onze vrienden van de havo. Met tien vrienden/vriendinnen zouden we afreizen naar de woonvorm in Landgraaf. Dit moest ik nog wel even doorgeven aan Jos, maar die vond alles prima. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd niet waar. Eén probleempje was er nog wel te overwinnen, twee meiden moesten nog toestemming hebben van thuis. Ik heb toen maar de stoute schoenen aangetrokken en de ouders gebeld of ze mee mochten. Aan de telefoon stelde ik me voor als: Jan Troost Maatschappelijk Werker (dat was ik inmiddels) . Ik zei: “wij organiseren een reisje voor een groepje gehandicapten mag uw dochter mee  als begeleiding. De ouders vonden dit een nobel doel en gaven meteen toestemming. Ik geef nu achteraf wel toe, dat ik een beetje “misbruik” heb gemaakt van mijn functie.

Schoolfeestje

Op de vrijdag voor carnaval was er een groot schoolfeest op de Nijmeegse scholengemeenschap. Cordick de  organisator van het schoolfeest  had geregeld dat we allemaal te gast waren.

Samen met Ron en Jean

Samen met Ron en Jean

Het bier vloeide rijkelijk en tot diep in de nacht hebben we daar gefeest. Rond zes in de ochtend gingen we naar het station in Nijmegen waar we de trein naar Landgraaf namen.

Met de trein naar Landgraaf

Ons gezelschap reist in de bagage afdeling van de passagierstrein, want in de normale passagierstrein konden rolstoelgebruikers niet in.  Mick, Joyce en ik zelf en één reserve rolstoel moeten mee en onze 7 lopende vrienden Cordick, Ron, Jeanne, Joris, Frank, blond en bruin en natuurlijk al onze bagage. Dat je niet in de coupe kon was gebruikelijk, zeker richting Limburg. We hadden de hele nacht niet geslapen dus zo goed en kwaad als het ging sliepen we wat in de bagageruimte. De bagageruimte zat  precies achter de machinist. Hij had de deur opengedaan om ons wat warm te houden want hier zat geen verwarming. Uiteindelijk komen we aan in Landgraaf en met vereende krachten worden we uit de wagon getild. Daarna zijn we eerst maar drank en eten gaan halen in de supermarkt. De kratten bier hadden we opgestapeld in de reserve rolstoel en zo lopen we in optocht naar de woonvorm. Jos staat al klaar om ons te ontvangen. Via de hoofdingang lopen we in optocht door  de gemeenschappelijke ruimte naar de kamer van Jos. Alle spullen worden daar neer gezet en we drinken eerst maar een goed bakje koffie. We maken een grote pot waar we al het geld bij elkaar leggen om de Carnaval te vieren. De slaapzakken worden neergelegd en de luchtbedden worden opgeblazen. Natuurlijk eerst Jos  bedankt voor zijn gastvrijheid. Die avond zouden we met een  taxibusjes naar Maastricht gaan. Op het Vrijthof hebben we friet gegeten en daarna ons gelaafd aan al het goede wat Maastricht te bieden heeft. De sfeer is geweldig ondanks dat het heel koud was. Ron had wat te veel gedronken en op een bepaald moment liepen we over de Servaasbrug. Verder lezen

Sint Maartenskliniek 1971-1977. Drank, seksboekjes en knakworsten. Deel 16

Wim zoon van de slager in Glanerbrug had nadat hij het weekend naar huis was geweest frikandellen meegenomen. Die avond zouden we lekker frikandellen eten. Rond 21.00 uur ging de groepsleiding naar huis en Wim luisterde aan de deur of ze echt weg waren. Ik had van thuis een dompelaar meegekregen, dit was een warmte element om je tandenborstel water mee warm te maken. Maar je kon er ook water mee warm maken voor thee. Met dit in gedachten hadden we de koekjestrommel leeg gemaakt en in de kledingkast gezet. We vulde hem met rode wijn en toen het warm was stopten we de frikandellen erin. Hij stond in de kast, want als er iemand binnenkwam konden ze niet zien dat we iets aan het koken waren. Iets wat absoluut verboden was. Na een eerste hap vonden we het echt niet lekker en besloten het maar naar de meiden te brengen! Met een oude babyfoon die ik van mijn vader had gehad hadden we een verbinding gemaakt met de kamer van de meiden. Met veel kunst en vliegwerk hadden we een electriciteitsdraad gespannen tussen onze kamers. Was niet simpel geweest want we sliepen op de derde verdieping en tussen ons en de meiden sliep één van onze nonnen. Op die manier konden we contact hebben met de kamer van Gerrie, Gerda en Josefien.
De meiden hadden wel zin in iets hartigs. Toen we de draad aangelegd hadden, hebben we

De flat op de derde verdieping gebeurde het

De flat op de derde verdieping gebeurde het

ook touwen en  katrollen aangebracht. In een mandje gingen de frikandellen naar de meiden. Verder lezen

Sint Maartenskliniek 1971-1977 . Zomer Kamp! Deel 15

In de zomervakantie mochten we 2 weken naar huis. Als ik naar huis ging, gingen we vakantie vieren in het huis van mijn oom en tante in Hilversum. Van de verzekering mochten we niet langer uit de Sint Maartenskliniek.Toch hadden we zes weken van school vrij. Tenminste als je het geluk had dat Zuster Litancia, hoofd van de school, of een van de andere onderwijzers had voorkomen dat je in handen van de witte dokters viel. Juist in deze tijden werden jongeren vaak geopereerd. Als je geen operatie boven het hoofd hing had je echt vrij. Maar vier weken vakantie op de kliniek, waar je ook nog veel minder therapie kreeg, verveelde je je… énorm. Onze kamer, kamer 3, had het voorrecht om in deze periode eerste mannelijke groepsleider te  krijgen. Theo zijn komst gaf in het begin nog al wat problemen met de meiden. Die wilde niet dat hij hun zou komen helpen. De jongens van onze kamer vonden dat belachelijk want wij werden wel altijd geholpen door de vrouwelijke groepsleiding. We hebben in  die vakantie een keer gestaakt en laten weten dat we niet door onze vrouwelijke groepsleiding niet geholpen  wilde worden! Na wat eerste schermutselingen werd Theo toch geaccepteerd door de meerderheid van de meiden. Wij jongens vonden het geweldig en Theo was voor ons ook een soort van vaderfiguur, met vier moeders dat wel! Kort daarop zou ik mijn eerste kamp mee maken.

Borculo

In  de boerderij; “De Paardestal”. We zaten op het terrein van Klein Borculo,
een jongensinternaat. In 1898 werd het dorp Borculo door de Rooms-Katholieke kerk ingewijd als opvangplaats en opvoedingsgesticht voor jongens die niet langer thuis konden wonen. Het heette toen nog het Leo-Gesticht. Tot in de jaren ’80 is dit internaat gebleven. Bij dit internaat waren ook meerdere scholen (LTS, MAVO, Tuinbouwschool), huizen voor de gasten, huizen voor de fraters, een kapel en een fratertuin.

Kamp Borcule

Kamp Borculo

De sfeer was hier geweldig midden in de landerijen. Later zou overigens ook blijken dat seksueel misbruik ook hier wel degelijk had plaats gevonden, maar wij hebben hier nooit iets van geweten. Verder lezen

Sint Maartenskliniek 1971-1977. Patat halen Deel 14

Begin 1974 woonde ik al weer drie jaar op de Sint Maartenskliniek.  Om de  drie weken ging ik naar huis naar mijn ouders. De ander weekenden bleef ik op de Maartenskliniek. Ik zou jokken als ik zou zeggen dat ik dat erg vond. Thuis moest ik de schone schijn op houden en me aanpassen aan ons gezin. Doordat ik maar één keer in de drie weken thuis kwam, voelde ik me meer thuis op het internaat dan thuis bij mijn ouders. Natuurlijk speelde ook de  pubertijd een belangrijke rol en mijn ouders hadden het er dan ook moeilijk mee. Dit kwam omdat  mijn oude vrienden van thuis hun eigen leven kregen, en ik  natuurlijk ook!

Zaterdagavond

Op een zaterdagavond zaten met onze leefgroep, van kamer 3,  televisie te kijken naar Top Pop. De meiden waren helemaal gek op David Cassidy, het grote idool van Gerda en de andere meiden.

Kamer 3 wachtende op de patat die niet zou komen!

Kamer 3 wachtende op de patat die niet zou komen!

Alleen Dinie (onze menselijke kat, die mij de eerste dag op het internaat de hand had opengehaald], was fan van de Cats! Rond acht uur kreeg een van onze kamergenoten zin in patat… Verder lezen

Sint Maartenskliniek 1971-1977. Baldadigheid, kameraadschap en kattenkwaad. Deel 13

Over sommige dingen heb ik  getwijfeld of ik ze wel openbaar zou maken. Maar wil jullie dit deel van het leven op de Sint Maartenskliniek toch niet onthouden. Gelukkig ben ik wijzer geworden, maar kan niet ontkennen dat dit gebeurd is. Natuurlijk even deze waarschuwing: Doe dit niet na! 

De kleptomaan!

Sommige dingen blijven je bij, zoals die ene keer dat we het helemaal beu waren dat er steeds spullen werden gestolen uit onze kamers. Radio’s, boxen, stripboeken, eten werkelijk alles verdween! We wisten bijna zeker wie het deed, laat ik hem voor het gemak maar Peter noemen. Al meerdere keren hadden we het aan de groepsleiding aangegeven, maar ze deden er niets aan. Iedere keer hetzelfde Peter kan er niets aan doen, het is een ziekte kleptomanie.

Recht in eigen hand!

Nou, dachten we, dat kan allemaal wel wezen, maar daar hebben wij onze spullen niet mee terug! René, één van de nieuwe jongens, was zijn beidde onderarmen kwijtgeraakt. Doordat hij in Groesbeek achter in een schuurtje met een hamer op een bus  buskruit had geslagen, die daarop ontplofte met grote gevolgen. Zijn lotgenoot  Wim en hij kwamen bijna tegelijkertijd op de kliniek.  Wim  was zijn armen kwijtgeraakt doordat hij op de bouw in een bak zoutzuur was gevallen. Met zijn zessen beraamden we een plan om Peter eens goed onder druk te zetten om onze spullen terug te krijgen.

Luchtbuks in de aanslag

Luchtbuks in de aanslag

Ik had twee luchtbuksen en een luchtdruk pistool. Drie van ons zouden hem onder schot houden terwijl Wim en René hem verder onder druk zouden zetten.

De inval

Zo gezegd, zo gedaan. Met zijn zessen gingen we naar de tweede verdieping. Verder lezen